6. Aangifte en naheffing

De omzetbelasting is een aangiftebelasting, hetgeen inhoudt  dat  de  belasting  materiële verschuldigd is bij het verrichten van de belaste prestatie , en dat de belasting formeel vaststaat bij het doen van aangifte. Er is dus geen aanslag nodig om de belastingschuld te formaliseren. De aangifte heeft niet alleen als doel om de Inspecteur de nodige informatie te verstrekken, maar heeft ook een tweede functie, namelijk die van betalingsspecificatie voor de Ontvanger. De aangifte dient tijdig te worden gedaan onder gelijktijdige betaling van de volgens de aangifte verschuldigde belasting. Bij invoer van goederen dient aangifte en betaling te  geschieden voordat de feitelijke invoer plaatsvindt. Bij levering van goederen en diensten stelt de wet in artikel 11 dat de aangifte en betaling over een tijdvak van een kalendermaand dient te geschieden uiterlijk op de zestiende dag van de daaropvolgende maand.

De omzetbelasting bij levering van goederen en diensten is volgens artikel 9 verschuldigd op het tijdstip waarop de vergoeding geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen . Dit artikel doet het zogenaamde kasstelsel gelden, ter onderscheid van het factuurstelsel waarbij de omzetbelasting reeds verschuldigd is indien de ondernemer een factuur doet uitgaan (zoals bijvoorbeeld in Nederland geldt). Bij het kasstelsel wordt de winst op goederentransacties gerealiseerd op het moment dat de goederen worden betaald. Daarbij wordt voor het bepalen van de omvang van de omzet geen rekening gehouden met uitstaande vorderingen op debiteuren. Dit in tegenstelling tot het zogeheten factuurstelsel. Indien de betaling van de vergoeding gespreid in termijnen plaatsvindt, dan dient de OB-plichtige de omzetbelasting ook over elke afzonderlijke termijn over de gedeeltelijk te ontvangen vergoeding te berekenen . Bij elke termijn moet de ontvangen omzetbelasting uiteraard worden betaald op de aangifte van die maand .

 

Indien géén aangifte wordt gedaan of de omzetbelasting geheel of gedeeltelijk niet  wordt betaald , kan de Inspecteur de nog verschuldigde omzetbelasting middels een aanslag naheffen. Opleggen van deze naheffingsaanslag is mogelijk tot 5 jaar na einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan . Is er sprake van opzet of grove schuld dan wordt deze termijn verlengd tot 10 jaar. De wet schrijft niet voor dat bij deze naheffingsaanslagen een motivering wordt gegeven, doch dit zou wel moeten volgen uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Bij gebrek aan een ingediende aangifte zal de Inspecteur de hoogte van de naheffingsaanslag dienen te schatten. Indien er wel aangifte is gedaan maar de Inspecteur bevindt deze te laag op basis van hem ter beschikking staande gegevens, dan moet hij een hogere aanslag opleggen met inachtneming van die gegevens. De Inspecteur mag dus niet naar willekeur een aanslag opleggen, maar moet deze altijd cijfermatig onderbouwen . Hij is daarbij gebonden aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Mocht het de Inspecteur achteraf blijken dat de aanslag te hoog is vastgesteld, dan kan hij deze aanslag ambtshalve verminderen. Dit kan hij op eigen initiatief, wat zelden voorkomt. Vaker is het zo dat de Inspecteur de aanslag vermindert als gevolg van een uitspraak op een ingediend bezwaar- of beroepschrift. Voor het aantekenen van bezwaar en beroep geldt er een termijn van zestig dagen. Indien het bezwaar of beroep zich richt tegen een aanslag waarbij de vereiste aangifte niet is gedaan of waarbij niet is voldaan aan de verplichtingen van administratie en inlichtingenverstrekking , dan wordt de bewijslast omgekeerd in die zin dat niet de Inspecteur de aanslag hard moet maken, doch dat de aangeslagene moet aantonen dat de aanslag onjuist is.

Aangezien de Wet OB van de belastingplichtige een actieve rol verlangt, is het bij de aangiftebelastingen dan ook gebruikelijk dat sancties in het vooruitzicht worden gesteld indien aan de aangifteplicht , waaronder begrepen de betaling, niet of niet tijdig wordt voldaan. De sancties zijn in twee groepen te verdelen, te weten:

  1. de administratieve boetes ;
  2. de strafrechtelijke sancties, namelijk strafboetes en/of gevangenisstraffen.

ad 1. Administratieve boetes mag de Inspecteur zelf opleggen bij wijze van ordemaatregel, in geval van geconstateerde verzuimen (geen of te late aangifte/betaling) of vergrijpen (geen of te late betaling door opzet of grove schuld). Zie de artikelen 33 t/m 42 OB.

ad 2. Strafrechtelijke  sancties  zijn  zwaarder  en  ingrijpender  en  zijn  zodoende  met  meer waarborgen omkleed. Deze sancties kunnen alleen door de rechter worden opgelegd, zie  de artikelen 55 t/m 62 OB. Maar in de praktijk komt het niet zover.

Comments are closed