1. Vrijstellingen alleen voor gezondheidszorg en onderwijs

Iedere vrijstelling, met een bijbehorend niet-aftrekrecht, leidt tot een verstoring van het uitgangspunt van een ‘algemeen’ werkende indirecte belasting. Omdat vrijstellingen in een btw-stelsel niet gekoppeld kunnen worden aan de instelling, maar zien op de aard van de geleverde prestatie, kunnen bedrijven/instellingen die btw-belaste prestaties verrichten en dus hiervoor geregistreerd en aangifteplichtig zijn deze vrijgestelde prestaties verrichten. Naast de afbakeningsproblematiek die dan ontstaat (welke prestaties zijn belast en welke prestaties vallen onder de vrijstelling), ontstaat ook een aftrekrechtproblematiek (welke btw-voorbelasting is aftrekbaar en in hoeverre). Een vrijstelling zorgt dus voor een gecompliceerd btw-stelsel.

Vanwege de nauwe relatie met de overheidsfinanciën en een duidelijke samenhang met armoedebestrijding komen slechts twee sectoren voor een vrijstelling in aanmerking: de gezondheidszorg en het onderwijs. Deze beide sectoren – gezondheidszorg en onderwijs – zijn noodzakelijk voor een goed functionerende economie en samenleving en rechtvaardigen een uitzonderingspositie.

Ten aanzien van alle andere sectoren – hoe sterk de lobby en de neiging zal zijn om hiervoor ook uitzonderingen door te voeren – geldt dit niet.

Comments are closed