SB 2023 no. 33 – 7 februari 2023 – Beschikking vaststelling vergoeding van interest
BESCHIKKING van de minister van Financiën en Planning van 7 februari 2023, La.F.no. 346, houdende nadere voorwaarden en voorzieningen, inzake artikel 17, lid § van de Wet Belasting over de Toegevoegde Waaide.
(Beschikking vaststelling vergoeding van interest)
DE MINISTER VAN FINANCIËN EN PLANNING,
GEHOORD
de directeur der Belastingen,
de artikelen 1 7, leden 6 en 8 van. de Wet Belasting over de Toegevoegde Waarde (S.B. 2022 no. 121, verbeterblad S.B. 2022 no. 143, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2022 no. 148)
- dat ingeval de voor aftrek in aanmerking komende belasting meer bedraagt dan de in het tijdvak verschuldigd geworden belasting, het verschil aan de ondernemer wordt terugbetaald, zoals aangegeven in artikel 17, lid 1 van de Wet Belasting over de Toegevoegde Waarde;
- dat de terugbetaling van het voor teruggaaf in aanmerking komende bedrag aan de ondernemer binnen één maand moet plaatsvinden, nadat zijn recht op teruggaaf van belasting is ontstaan, zoals bedoeld in artikel 17, lid 2 van de Wet Belasting over de Toegevoegde Waarde;
- dat ingevolge artikel 68, lid 5 van de Wet Belasting over de Toegevoegde Waarde de termijn voor teruggave van BTW tot en met 30 juni 2023 voor twee maanden wordt aangegeven, zulks in afwijking van artikel 17, lid 2 van deze wet;
- dat de in artikel 17, lid 2 van de Wet Belasting over de Toegevoegde Waarde aangegeven termijn kan worden opgeschort met een periode van maximaal twee maanden, zoals vernield in artikel 17, lid 3 van. de Wet Belasting over de Toegevoegde Waarde. Hiervan kan sprake zijn indien bijvoorbeeld de Inspecteur een redelijk vermoeden heeft dat te weinig belasting op aangifte is opgegeven, te weinig belasting is betaald of dat teveel belasting in aftrek is gebracht. Hieromtrent stelt de Inspecteur de ondernemer schriftelijk. en gemotiveerd op de hoogte van deze opschorting;
- dat indien de terugbetaling van belasting niet uiterlijk binnen de gestelde termijn van artikel 17, leden 2 en 3 van de Wet Belasting over de Toegevoegde Waarde plaatsvindt, de ondernemer recht heeft op vergoeding van interest in verband met de late betaling van de belasting, zoals aangegeven in artikel 17, lid 6 van deze wet;
- dat, op grond van artikel 17, lid 8 van de Wet Belasting over de Toegevoegde Waarde, de Minister van Financiën en Planning de bevoegdheid heeft om nadere regels vast te stellen voor de teruggaaf van belasting, verrekening en te vergoeden, interest;
HEEFT BESLOTEN
I.
A. dat op grond van artikel 17, lid 6 van de Wet Belasting over de Toegevoegde Waarde de ondernemer recht heeft op de vergoeding van interest, indien de terugbetaling van belasting niet uiterlijk binnen de gestelde termijnen, zoals aangegeven in artikel 17, leden 2 en 3 van deze wet, plaatsvindt;
B. dat ingevolge artikel 68, lid 5 van de Wet Belasting over de Toegevoegde Waarde de termijn voor teruggave van BTW tot en met 30 juni 2023 voor twee maanden wordt aangegeven, zulks in afwijking van artikel 17, lid 2 van deze wet;
C. te bepalen dat het bedrag van de interest op jaarbasis 6 % bedraagt van het bedrag dat, op grond van artikel 17, lid 1 van de Wet Belasting over de Toegevoegde Waarde, terugbetaald had moeten worden;
D. dat de Inspecteur de ondernemer bij een voor bezwaar vatbare beschikking in kennis stelt omtrent het besluit om de teruggave geheel of gedeeltelijk niet toe te kennen. Hiervan kan onder meer sprake zijn ingeval van een aanvang van een controle van de aangifte of boekhouding van de ondernemer, een vermoeden van te lage aangifte, te weinig betaalde BTW, teveel verrekende BTW of enig ander feit danwel vermoeden omtrent de onjuistheid of de naleving van de plichten van de ondernemer die zijn aangegeven in de Wet Belasting over de Toegevoegde Waarde;
E. dat indien achteraf blijkt dat het bedrag van teruggave van de BTW meer of minder bedraagt dan aanvankelijk was opgegeven op aangifte, dan wordt het bedrag van de vergoeding van interest in dezelfde verhouding verhoogd, of verminderd als het bedrag van teruggaaf dat feitelijk uitbetaald diende te worden aan de ondernemer;
F. dat de Ontvanger der Directe Belastingen, na het definitief besluit omtrent de teruggaaf door de Inspecteur, welke is vervat in een voor bezwaar vatbare beschikking, overgaat tot teruggave van de BTW aan de ondernemer, zulks met in achtneming van het bedrag van de vergoeding van interest.
G. dat de bevoegdheid van de Ontvanger der Directe Belastingen, conform artikel 17, lid 5 van de Wet Belasting over de Toegevoegde Waarde, om het voor teruggaaf komende bedrag van belasting te verrekenen met op grond van deze wet uitstaande belastingschulden, rentes, boetes en kosten van de ondernemer onverkort van toepassing blijft.
II. Dat deze beschikking in het Staatsblad van de Republiek Suriname worden bekendgemaakt;
III. Afschrift van deze beschikking te zenden aan de minister van Financiën en Planning, de Rekenkamer van Suriname, de directeur der Belastingen, de inspecteur der Directe Belastingen, de inspecteur Omzet Belasting, de ontvanger der Directe Belastingen, Afdeling Fiscale Zaken Indirecte Belastingen.
Paramaribo, de 7e februari 2023,
KERMECHEND RAGHOEBARSING.
Uitgegeven te Paramaribo, de lste maart 2023.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
BRONTO S.G. SOMOHARDJO